Reportage in De Morgen: deel 3

Gezocht: een doel in het leven

Hij is welbespraakt en charmant. Hij zegt dingen als: “Ik sla met mijn vuist op tafel, maar de tafel plooit niet.” Ik ontmoet hem in zijn niet eens zo rommelige appartement. Hij zit in short en ontbloot, knokig bovenlijf, waarop het litteken van een operatie nog zichtbaar is. Hij rookt en werkt zich aan een rustig tempo door een serie halveliterblikken bier. Hij is 48. “Ze hadden die wet van Murphy naar mij moeten noemen.” Het appartement zal hij begin volgend jaar moeten ontruimen. De eigenaar plant verbouwingen. Waar hij volgend jaar zal wonen weet hij niet. Dat is niet zijn ergste zorg. Zijn zoon is ontsnapt uit de jeugdgevangenis waar hij tot zijn achttiende had moeten blijven. En hijzelf dreigt zijn leefloon gedeeltelijk of misschien wel helemaal te verliezen omdat hij herhaaldelijk afspraken miste en gelogen heeft (in zijn versie: dingen verzwegen heeft) over wie er in zijn appartement verbleef. Dat heeft belang voor zijn inkomen, want samenwonenden ontvangen maandelijks 250 euro minder dan alleenstaanden. Hij verzweeg het, het kwam uit, er werd gedreigd met sancties, de logés verdwenen, maar hij nam een nieuwe logé in huis, die op zijn adres OCMW-steun aanvroeg. Hij ontkende het in alle toonaarden tot het niet meer te ontkennen viel. “Ik word gestraft omdat ik mensen help”, zegt hij, al droeg die logé ook bij, financieel en in natura. Buiten barst een bui los. “Ik denk soms: foert, laat het maar komen.” Eigenlijk hoopt hij dat hij, met zijn charme, de sanctie nog kan ontlopen. Hij haalt herinneringen op: hoe hij ooit een vrij gelukkig man was, een elektricien en kraanman die overuren deed, in bijberoep met taxi’s reed, getrouwd was met een vrouw die ook werkte. Ze hadden elk hun eigen auto, zelfs een derde auto voor op zondag. Ze hadden twee kinderen en “een dikke spaarboek”. Vanaf zijn zestiende dronk hij al wel, “maar nooit op het werk”. Toen werd hij ziek, betrapte zijn vrouw met zijn beste vriend, haalde zijn vrouw hun spaarboekje leeg (zegt hij), en bleken de rekeningen al zes maanden niet betaald. Ineens stond hij op straat, zonder huis of baan. Hij leefde enkele maanden in het park van Gentbrugge. De voorbije tien jaar overleeft hij met uitkeringen, die voornamelijk opgaan aan huur en het terugbetalen van schulden. Hij houdt per week 50 euro leefgeld over. “Daar red ik het niet mee.” Hij herstelt laptops en andere elektronica waarvoor hij doorgaans in natura wordt betaald. De caissière van zijn supermarkt vergeet af en toe enkele producten te scannen. Hij heeft haar al eens bedankt met een roos. “Sinds ik alleen ben, zit ik in de zetel en drink ik. Tegen de avond ben ik dronken en moe en kan ik slapen. Alcohol is het goedkoopste slaapmiddel. Mocht ik opnieuw een doel hebben, dan was het misschien anders.” Wat zou zo’n doel kunnen zijn? Werken, zegt hij, nogal onverwachts, “niet zoals vroeger, maar ik kan met de auto rijden, ik zou in de Kringloopwinkel huishoudapparaten kunnen herstellen”. Hij moet grip op zijn leven krijgen, zich aan afspraken houden, zijn alcoholgebruik onder controle krijgen, alvorens hij voor tewerkstelling in aanmerking komt. “Vroeger dacht ik: ik wil mensen niet kwetsen. Maar dan doe je het toch. Op den duur is er niemand meer om te kwetsen.” Zou het helpen om even uit zijn situatie gehaald te worden en elders te zijn? Op zich misschien wel, denkt hij, “maar ik heb te veel zorgen. Ik blijf er geen week. Ik wil weten hoe het met mijn zoon gaat. Een mens kan armoede overleven als hij rust heeft. Dat is de ergste armoede: die met een onrustig hoofd.” Hij laat zijn open hand op de tafel vallen en de lege blikken bewegen.

Journalist Rudi Rotthier is tijdelijk verhuisd naar de Gentse Rabotwijk. Elke week bericht hij in Reporter over het alledaagse leven in de Elyzeese Velden.

RUDI ROTTHIER
© 2013 De Persgroep Publishing

Reacties zijn gesloten.